Stap 6: Raadpleeg Doop- Trouw- en Begraafboeken

Al heel snel zult u terecht komen in de periode van vóór de Burgerlijke Stand. De belangrijkste bronnen voor die periode zijn de Doop-, Trouw- en Begraafboeken (DTB), die werden bijgehouden door de kerken.

De rooms-katholieke kerk besloot tijdens het concilie van Trente (1545-1563), dat tot doel had de misstanden en misbruiken binnen de Katholieke Kerk aan te pakken en de houding te bepalen t.o.v. de reformatie, dat alle dopen, huwelijken en begrafenissen geregistreerd moesten worden. Het huwelijk moest b.v. gesloten worden in een kerk ten overstaan van een priester en getuigen na drievoudige aankondiging, en vervolgens worden vastgelegd in een huwelijksregister. Pastoors werden per 1550 verplicht om zogenaamde Doop- Trouw- en Begraafregisters van hun parochie bij te houden. Dit worden de DTB's genoemd.
Kort daarna hielden ook de protestantse kerken dtb-registers bij. De oudst bewaard gebleven boeken komen uit de tweede helft van de zestiende eeuw en van de meeste plaatsen beginnen ze in de loop van de zeventiende of achttiende eeuw.

Veel kerken hebben hun registratie niet volledig bewaard. De overgebleven dtb-registers kun je inzien bij de provinciale of gemeentelijke archieven. Het Repertorium DTB (in elk archief te vinden) geeft per plaats een overzicht van de bewaard gebleven registers.

begraafboekdetail

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de Opstand (1568-1648) tot aan het begin van de Franse tijd (1795) had de Gereformeerde Kerk een bevoorrechte positie en ook de meeste leden. Trouwen in deze kerk stond gelijk aan trouwen voor de Schout en Schepenen, het geen niet gold voor b.v. de Rooms-Katholieken.

Er bestonden geen uniforme regels voor het bijhouden van de DTB. Elke kerkgemeenschap was zelfstandig, zodat er overal andere regels golden, terwijl ook de kerkdienaren vaak eigen interpretaties hanteerden. De meeste kerken waren vrij in de manier waarop zij hun boeken bijhielden en volgden hun eigen inzichten. Bovendien gaven niet alle pastoors gaven direct gehoor aan deze verplichting.

In Nederland en België zijn alle parochieregisters opgenomen in de Rijksarchieven van de provincies. In België zijn er bovendien heel veel indexen gemaakt op de parochieregisters en uitgegeven in boekvorm. Ook die zijn te raadplegen in de Rijksarchieven, maar ook bij plaatselijke geschiedkundige en heemkundige verenigingen. Hierbij is het wel van belang dat u weet bij welke kerk uw familie hoorde. In toenemende mate worden de DTB toegankelijk op internet (b.v. www.wiewaswie.nl).

Het lezen in DTB-boeken kan lastig zijn. Rooms-katholieke registers zijn b.v. meestal in het Latijn geschreven, en ook het oude Nederlandse schrift kan problemen opleveren. U zult wellicht het oud schrift (Paleografie) moeten bestuderen. Dit kan via een cursus bij het regionale archief of genealogische vereniging. Maar ook op internet zijn enkele cursussen beschikbaar.

Houd er bovendien rekening mee dat namen niet altijd vast lagen.
Naarmate het onderzoek terug in de tijd vordert zult u merken dat namen soms anders worden geschreven en zelfs dat er in bepaalde streken geen vaste familienamen werden gebruikt. In deze periode bestond er ook geen verplichting voor het hebben van een eenduidige achternaam. Vaak werden kinderen aangeduid met de naam van de vader (patroniem, b.v. Piet Jans zoon). Ondanks dat je eigenlijk de naam van de vader weet, is het toch lastig om met zekerheid de juiste personen te duiden. Een hulpmiddel hierbij vormen de vernoemingsregels
Tegenwoordig niet meer zo in, maar tot voor de zestiger jaren van de vorige eeuw heel gebruikelijk: het vernoemen van kinderen naar de grootouders en andere familieleden. Daar bestonden vrij strikte regels voor. Zeker voor de periode vóór 1811 zijn vernoemingspatronen daarom heel belangrijk bij het aantonen van verwantschappen. De volgorde van vernoemen (een gewoonteregel waar van afgeweken kan worden) was b.v.:
1e zoon: vaders vader, 2e zoon: moeders vader, 3e zoon: vaders oudste broer, 4e zoon: moeders oudste broer,
1e dochter: moeders moeder, 2e dochter: vaders moeder, 3e dochter: moeders oudste zus, 4e dochter: vaders oudste zus, etc.
Overleden familieleden kregen vaak voorrang bij het vernoemen. Kinderen die geboren werden na het overlijden van de vader werden vaak naar de vader genoemd, en als de moeder overleed in het kraambed werd het kind vaak naar haar genoemd.